Skip to content Skip to main navigation Skip to footer

Weerspiegeling van smaak en mode

Hoewel het gewaad van de celebrant diens verbinding met het goddelijke tot uiting brengt, staat dit kledingstuk niet los van de codes en de esthetiek van de profane kunst. Via de liturgische klederdracht doet de mode zijn intrede in de kerk. Voor het midden van de 18de eeuw bestaan er eigenlijk geen speciaal voor liturgische paramenten vervaardigde stoffen. Er worden stoffen voor gebruikt die in de mode zijn en waarvan ook kleden en onderdelen van meubilair worden gemaakt. Bovendien volgt de ornamentiek van de liturgische objecten, waaronder de gewaden en objecten in edelsmeedwerk, de algemene smaakevolutie en vertoont deze tal van stilistische parallellen met religieus meubilair, maar ook met profane kunstvoorwerpen.

Vroeger werden deze voorwerpen binnen de kunstgeschiedenis – en binnen het domein van de decoratieve kunsten waarin ze werden ondergebracht – vaak enkel vanuit stilistisch perspectief bestudeerd. Deze voor het merendeel niet-gedocumenteerde en anonieme stukken kunnen dan ook louter op basis van hun vormelijke kenmerken door kunsthistorici worden gedateerd. Dit blijft echter moeilijk: het gewicht van de traditie maakt dat deze objecten bijzonder langzaam van vorm veranderen. Bovendien waren bepaalde succesvolle stoffen, zoals damast, continu in gebruik in de textiele kunst. Nog moeilijker wordt de datering door het hergebruik van aurifriezen of oud borduurwerk in moderner textiel of door het vervangen van versleten of uit de mode geraakte delen van edelsmeedwerk. In die bepaalde gevallen helpen de ornamentele motieven vaak om het stuk chronologisch en binnen de smaakevolutie te situeren.

Op het einde van de middeleeuwen komt de gotische ornamentiek tot ontwikkeling met de typische polygonale, gebroken of hoekige lijnen en het architecturaal decor. Puntgevels, pinakels, lancetten, fleurons, chevrons, drielobben, accolades en gekrulde of lancetvormige bladeren vormen het laatmiddeleeuwse ornamentele vocabularium. Liturgische houders hebben vaak een meerlobbige en gesegmenteerde voet, terwijl de stam en knoop van ostensoria, miskelken en cibories een meerzijdige vorm krijgen. Het borduurwerk van de aurifriezen stelt architecturale compartimenten voor met colonetten, ribgewelven en lancetvormig maaswerk. Naar het einde van de 15de eeuw doet de laatgotiek zich voelen in de verveelvoudiging van dooreenlopende en verstrengelde lijnen die een toenemende spanning in een opwaartse ontwikkeling uitdrukken, een spanning die merkbaar is tot in het steeds complexere lijstwerkpatroon.

Vanaf de 16de eeuw doen onder invloed van de renaissance nieuwe motieven als schelpen, frontons, balusters, arabesken en rankwerk hun intrede. Deze esthetiek die zich aan het begin van de 16de eeuw in onze streken verspreidt, wordt aangeduid als ‘gothico-renaissance’ of ‘renaissance-gotiek’. Het meest typische motief is ongetwijfeld de sterk geprofileerde balusterzuil.

De renaissance decoratie die vanaf de tweede helft van de 16de eeuw de aurifriezen verfraait, vertoont een duidelijkere ordening. De verhalende scènes zijn vervat in antieke medaillons (tondi). Deze laten meer ruimte over voor ornamentele motieven die uit Italië zijn overgewaaid en door lokale kunstenaars worden geïnterpreteerd, zoals sierlijk rankwerk, arabesken of kandelabers. Ook objecten in edelsmeedwerk worden verrijkt met Italianiserende motieven. Torenmonstransen behouden wel hun typologie met glazen cilinder, maar ze verruilen de typische puntige en opgaande vormen van de laatgotiek voor antiquiserende bouworden en op de renaissance geïnspireerde motieven als schelpen, sierlijke ranken, medaillons en cartouches.

 Vanaf het laatste derde van de 16de eeuw worden aan deze composities ook motieven toegevoegd van het maniërisme uit onze streken, zoals het gestileerde en strakke rolwerk van bepaalde omlijstingen, in het Frans ‘cuirs’ (leder) genoemd, of het spel van uitgesneden en geajoureerde platte stroken, ferronnerie genoemd.

De esthetiek van de barok die zich vanaf het tweede decennium van de 17de eeuw verspreidt, doet symbolische motieven (duif van de H. Geest, eucharistische motieven …) en ornamenten meer in het oog springen, zowel omwille van hun weelde als hun plasticiteit. Grote hoornen des overvloeds, dynamisch rankwerk, slingerende acanthusbladeren, gestileerde stampers en fleurons, bloemen, vruchten en dieren zijn de belangrijkste motieven van dit ornamentele repertoire gekenmerkt door dynamische en levendige vormen, weelde en variatie. Tegen het einde van de 17de eeuw wordt de structuur van de liturgische houders verlevendigd en in zekere zin opgelost door de toevoeging van engelen en stralenkransen. Hun voorheen meerlobbige voet wordt nu rond en de stam wordt hoger en plastischer.

In diezelfde periode dringt vanuit Frankrijk een mode het barokke repertoire binnen in de vorm van vlechtwerk van dooreengestrengelde ranken waaruit fleurons of palmetten komen, traliewerk met bloemen, en C- of S-vormige krullen (Bérain-, Lodewijk XIV-, of Régencestijl genoemd). Onder invloed van deze stijl worden de motieven slanker en fijner.

Naar het midden van de 18de eeuw gaat deze esthetiek op in de rococo, met als belangrijkste kenmerken de asymmetrische compositie en het rocaillemotief. De structuur van het object ondergaat een getorste en welvende beweging en wordt gecamoufleerd door de natuurlijke vormgeving van zijn onderdelen (zoals het deksel dat het uitzicht krijgt van een hemelse stralenkrans). Op de aurifriezen komen figuratieve motieven niet meer voor. Ze worden vaak enkel afgeboord met een bies; hun binnenkant en de achtergrondstof lopen in mekaar over. Het textiel haalt inspiratie uit oosterse en exotische decoratie, vertoont asymmetrische bloemenboeketten of zwevende, in terrassen opgestelde scènes.